Welke bedragen wijzigen er vanaf 1 januari 2020 binnen de personeelsdienst?

Terug naar het overzicht Welke bedragen wijzigen er vanaf 1 januari 2020 binnen de personeelsdienst?

Datum: donderdag 16 januari 2020

Auteur(s): Aanje Kints

Jaarlijks wijzigen op 1 januari een aantal cijfers en bedragen. Deze bedragen zijn nodig voor een vlotte werking binnen de personeelsdienst. In deze bijdrage worden de meest relevante bedragen verzameld zodat in één oogopslag duidelijk is wat er wijzigt en welke de nieuwe bedragen zijn.

 

Inhoud

1. Kostenvergoeding vrijwilligers

2. Bijklussen - onbelast verdienen

3. Toegelaten beroepsinkomsten voor gepensioneerden

4. De voor beslag of overdracht vatbare bedragen

5. Nieuwe schalen bedrijfsvoorheffing

6. Solidariteitsbijdrage bedrijfswagens

 

1. Kostenvergoeding vrijwilligers ​

Vrijwilligers mogen voor hun prestaties geen loon ontvangen. Vrijwilligers mogen vergoed worden voor de kosten die ze voor het bestuur hebben gemaakt. Wanneer de grenzen worden gerespecteerd, zijn er noch socialezekerheidsbijdragen noch fiscale inhoudingen verschuldigd. Het staat het bestuur vrij om de vrijwilliger al dan niet te vergoeden voor gemaakte kosten. Het bestuur mag ook beslissen om een lagere vergoeding toe te kennen.

Binnen het kader van de informatieplicht, brengt het bestuur de vrijwilliger ervan op de hoogte of een onkostenvergoeding wordt uitbetaald en volgens welk systeem:

  • volgens de forfaitaire terugbetalingsregeling, OF
  • door middel van het voorleggen van bewijsstukken.

Wordt gekozen voor de forfaitaire terugbetalingsregeling, dan mogen in 2020 volgende grenzen niet worden overschreden:

  • per dag: 34,71 euro;
  • per jaar: 1.388,40 euro.

Indien één of beide grenzen van de forfaitaire bedragen overschreden worden, zal de activiteit niet langer als vrijwilligerswerk worden beschouwd en de persoon die de activiteit verricht niet als vrijwilliger. Dan zal wat de vrijwilliger heeft ontvangen voor zijn activiteit onderworpen worden aan socialezekerheidsbijdragen en worden belast als beroepsinkomen.

Een variabele of reële kostenvergoeding is onbegrensd, maar buitensporige bedragen worden niet aanvaard.

Op de regel dat door de vrijwilliger per kalenderjaar slechts één kostenvergoedingssysteem kan worden gehanteerd, bestaat één uitzondering. De  combinatie van de forfaitaire kostenvergoeding met een terugbetaling van de reële vervoerskosten is mogelijk voor maximaal 2.000 kilometer per jaar per vrijwilliger.

Voor de berekening van het plafond wordt rekening gehouden met de kilometervergoeding voor het gebruik van de eigen wagen.

Er is een verhoogd jaarlijks plafond van onkostenvergoeding voor volgende bijzondere categorie van vrijwilligers, nl. :

  • sporttrainer, sportlesgever, sportcoach, jeugdsportcoördinator, sportscheidsrechter, jurylid, steward, terreinverzorger-materiaalmeester, seingever bij sportwedstrijden;
  • de nachtoppas, evenals de dagoppas bij hulpbehoevende personen volgens de voorwaarden en kwaliteitscriteria die iedere Gemeenschap bepaalt;
  • het niet-dringend liggend ziekenvervoer: het liggend ziekenvervoer naar, vanuit en tussen ziekenhuizen of vestigingsplaatsen van ziekenhuizen.

Vanaf 1 januari 2020 wordt het jaarlijks kostenplafond voor deze bijzondere categorie vrijwilligers vastgelegd op 2.549,90 euro.

Dit verhoogd forfait kan evenwel niet altijd worden toegepast. Zo kunnen vrijwilligers die voor dezelfde organisatie bijklussen via verenigingswerk hiervan niet genieten. Ook voormelde sporters die een sociale zekerheidsuitkering of leefloon ontvangen kunnen dit niet combineren met het verhoogd forfait.

In deze gevallen blijft het gewone forfaitair grensbedrag van de onkostenvergoeding van toepassing, nl. 1.388,40 euro per kalenderjaar.

Bron: Hoge Raad voor vrijwilligers.

 

2. Bijklussen – onbelast bijverdienen

Wie in zijn vrije tijd tegen betaling klusjes doet, mag tot 6.000 euro (niet geïndexeerd) per kalenderjaar bijverdienen zonder er belastingen of sociale bijdragen op te hoeven betalen. Het moet gaan om verenigingswerk, diensten van burger aan burger of activiteiten in de deeleconomie. Ook een lokaal bestuur kan gebruik maken van bijklussers.

2.1 Het onbelast bijverdienen

De diensten mogen niet professioneel zijn: het gaat bijvoorbeeld om gidsen, sporttraining geven of begeleiding van schooluitstappen.

De inkomsten uit verenigingswerk en uit diensten aan burgers mogen in 2020 samen niet meer dan 528,33 euro per maand bedragen. Voor activiteiten die met sport te maken hebben, ligt de limiet op 1.056,66 euro per maand. De jaarlimiet blijft wel dezelfde, nl. 6.340 euro.

Een bestuur kan beroep doen op het stelsel van verenigingswerk als de bijklusser aan één van volgende voorwaarden voldoet:

  • werknemer die minstens 4/5 werkt – ongeacht of het een vastbenoemd of contractueel personeelslid is,
  • zelfstandige in hoofdberoep, en
  • gepensioneerde.

2.2 Overzicht van de activiteiten

Verenigingswerk is betaald en daarom strikt omschreven (de lijst van toegelaten activiteiten kan geraadpleegd worden op de www.bijklussen.be). De bijklusser mag niet voor dezelfde vereniging tegelijk vrijwilliger zijn, tenzij hij helemaal niets krijgt voor het vrijwilligerswerk (dus ook geen onkostenvergoeding).

Hieronder is de lijst opgenomen van activiteiten waarvoor een lokaal bestuur beroep kan doen op een bijklusser:

  1. Animator, leider, monitor of coördinator die sportinitiatie en/of sportactiviteiten verstrekt
  2. Sporttrainer, sportlesgever, sportcoach, jeugdsportcoördinator, sportscheidsrechter, jurylid, steward, terreinverzorger-materiaalmeester, seingever bij sportwedstrijden
  3. Conciërge van jeugd-, sport-, culturele en artistieke infrastructuur
  4. Persoon die instaat voor het gebouwenbeheer van buurtvoorzieningen, laagdrempelige ontmoetingsplaatsen in samenlevingsopbouw met als opdracht sleutelbeheer en kleine onderhoudswerkzaamheden zoals kleine herstellingen en poetsen
  5. Artistieke of kunsttechnische begeleider in de amateurkunstensector, de artistieke en de cultuur-educatieve sector
  6. Gids of publieksbegeleider van kunsten, erfgoed en natuur
  7. Vormingsmedewerker in het kader van de bijstand aan personen
  8. Begeleider in de opvang voor, tijdens en/of na de schooluren georganiseerd op school of tijdens schoolvakanties, evenals bij het transport van en naar de school
  9. Nachtoppas, te weten het inslapen, evenals de dagoppas bij hulpbehoevende personen volgens de voorwaarden en kwaliteitscriteria die iedere gemeenschap bepaalt
  10. Begeleider van schooluitstappen, activiteiten op school, activiteiten van het oudercomité of de ouderraad en occasionele of kleinschalige verfraaiingswerken aan de school of de speelplaats
  11. Hulp en ondersteuning bieden op occasionele of kleinschalige basis op het vlak van het administratief beheer, het bestuur, het ordenen van archieven of het opnemen van een logistieke verantwoordelijkheid bij activiteiten in de socioculturele, sport-, cultuur-, kunst-educatieve en kunstensector en in het onderwijs
  12. Hulp bieden op occasionele en kleinschalige basis bij het beheer, het onderhoud en het openstellen voor het grote publiek van natuurgebieden en cultureel erfgoed
  13. Hulp bieden op occasionele of kleinschalige basis bij het opstellen van nieuwsbrieven en andere publicaties evenals websites in de socioculturele, sport, cultuur-, kunst-educatieve en kunstensector en in het onderwijs
  14. Verstrekker van opleidingen, lezingen, presentaties en voorstellingen over culturele, artistieke en maatschappelijke thema’s in de socioculturele, sport, cultuur-, kunst-educatieve en kunstensector
  15. Met naleving van de regelgeving betreffende kwaliteitsvereisten voor het beroepshalve uitoefenen van die activiteiten: ondersteuning bieden woonzorgcentra evenals in voorzieningen voor personen met een handicap aanvullend op de activiteiten van het vaste personeel waaronder, en niet limitatief, mensen gezelschap houden, meehelpen bij activiteiten en uitstappen
  16. Opvang van baby’s en peuters en buitenschoolse opvang van schoolgaande kinderen volgens de voorwaarden en kwaliteitscriteria die iedere gemeenschap bepaalt.

Bron: Wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie, Belgisch Staatsblad 26 juli 2018.

 

3. Toegelaten beroepsinkomsten voor gepensioneerde 

Een gepensioneerde mag tot een bepaald bedrag per jaar bijverdienen zonder dat dit een impact heeft op het uitbetaalde pensioen. Er zijn evenwel een aantal grenzen die moeten gerespecteerd worden in functie van de leeftijd van de persoon en of er al dan niet kinderen ten laste zijn.

3.1 Onbeperkte cumulatie

In twee situaties is het mogelijk zonder beperking een pensioen te cumuleren met een beroepsactiviteit.

A. Vanaf 65 jaar

De cumulatie is onbeperkt vanaf 65 jaar en dit vanaf 1 januari van het jaar waarin de gepensioneerde deze leeftijd bereikt. Geen enkele loopbaanvoorwaarde is vereist en de leeftijdsvoorwaarde dient niet te worden vervuld op het ogenblik van oppensioenstelling.

Bijvoorbeeld, iemand die op 64 jaar op pensioen gaat, kan vanaf 1 januari van het jaar waarin hij 65 jaar wordt, bijkomende inkomsten hebben op een onbeperkte wijze.

B. Loopbaan 45 jaar

De titularis van een rustpensioen kan een onbeperkt beroepsinkomsten ontvangen als hij een loopbaan van ten minste 45 jaar bewijst. Deze loopbaanvoorwaarde moet vervuld zijn op de ingangsdatum van het eerste Belgische rustpensioen van de pensioengerechtigde. Bij gebreke daaraan, zal hij slechts op onbeperkte wijze kunnen cumuleren vanaf 1 januari van het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

3.2 Beperkte cumulatie: inachtneming van grensbedragen

Voor de gepensioneerden die de voorwaarden onder 1 niet vervullen (d.w.z. jonger dan 65 jaar of een kortere loopbaan dan 45 jaar), zijn er grensbedragen van kracht die jaarlijks worden geïndexeerd.

3.3 Grensbedragen vóór de leeftijd van 65 jaar

Het ingangsjaar is niet noodzakelijk een volledig jaar, het pensioen kan immers ingaan vanaf elke maand van het jaar. In dat geval wordt het grensbedrag aangepast aan het aantal maanden waarin een pensioen ontvangen wordt. Hiervoor wordt volgende regel gebruikt: het toegelaten bedrag wordt gedeeld door 12 en vermenigvuldigd met het aantal pensioenmaanden. De daaropvolgende jaren worden de inkomsten berekend per kalenderjaar, van 1 januari tot en met 31 december.

Voorbeeld : het rustpensioen van een werknemer gaat in op 1 mei 2020. Hij is jonger dan 65 en heeft hij op dat ogenblik geen loopbaan van 45 jaren. Hij oefent een activiteit uit als werknemer vanaf 1 mei 2020 en heeft geen kind ten laste. Voor 2020 is het grensbedrag gelijk aan 8.383 euro. In dit geval mag hij dus niet meer bijverdienen dan: (8.383 euro x 8) / 12 = 5.588,66 euro.

Voor de volledige jaren tot en met het jaar vóór zijn 65e verjaardag (m.a.w. het jaar waarin hij 64 wordt) wordt het jaarlijks grensbedrag als toetssteen gebruikt. Vanaf 1 januari van het jaar van de 65ste verjaardag moet hij geen grenzen meer naleven.

3.4 Grensbedragen vanaf de leeftijd van 65 jaar voor een gepensioneerde wiens echtgenoot een gezinspensioen geniet

Zowel voor een activiteit als loontrekkende of van een ambt of een mandaat moeten steeds de bruto-inkomsten in rekening genomen worden. Als de belanghebbende een loontrekkende activiteit combineert met een activiteit als zelfstandige, dan wordt er rekening gehouden met 80% van de bruto-inkomsten als werknemer en  + 100% van de netto-inkomsten van zelfstandigen

De Federale Pensioendienst zal rekening houden met opzeggingsvergoedingen en verbrekingsvergoedingen of met elk ander voordeel dat als dusdanig geldt. Deze vergoedingen zullen gespreid worden over de periode die ze dekken.

3.5 Sancties

Als de gepensioneerde voornoemde bedragen overschrijdt wordt het pensioen verminderd met het  percentage van de overschrijding, ongeacht het bedrag ervan. Deze sanctie heeft betrekking op het volledige kalenderjaar, zelfs al werd de activiteit niet heel het jaar uitgeoefend.

Bron: Ministerieel besluit van 18 december 2019 tot aanpassing van de jaarbedragen bedoeld in artikel 64, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, Belgisch Staatsblad van 30 december 2019.

 

4. De voor beslag of overdracht vatbare bedrage 

Er zijn wettelijke grenzen vastgelegd die moeten worden in acht genomen bij beslag of overdracht. Beneden deze grenzen mag het loon niet in beslag genomen worden. Hierop bestaat één uitzondering, nl. beslag op loon omwille van niet-betaald onderhoudsgeld. In dit geval moet het loon integraal ingehouden worden.

Wanneer een personeelslid nalaat zijn schulden te betalen, heeft de schuldeiser het recht om op het loon van de schuldenaar beslag te leggen. Daarnaast heeft een werknemer en zijn gezin recht op een minimuminkomen. Dit minimuminkomen is hetzelfde voor statutaire als voor contractuele personeelsleden.

4.1 Het beschikbaar gedeelte voor de inkomsten uit arbeid

Voor de inkomsten uit arbeid zal het beschikbaar gedeelte berekend worden op basis van bedragen in onderstaande tabel:

Indien de nettowedde gelijk is aan of groter is dan 1.475 euro heeft het personeelslid een totaal gewaarborgd inkomen van 1.369,70 euro.

4.2 Het beschikbaar gedeelte voor de inkomsten uit andere activiteiten dan arbeid

Voor de inkomsten uit andere activiteiten dan arbeid (bv. pensioen, ziekte- en invaliditeitsuitkering, …) zal het beschikbare gedeelte berekend worden op basis van bedragen in onderstaande tabel:

Indien de inkomsten uit andere activiteiten dan arbeid gelijk zijn aan of groter zijn dan 1.475 euro heeft de beslagene een totaal gewaarborgd inkomen van 1.357 euro.

4.3 Verhoging van de bedragen wegens kind ten laste

Per kind ten laste is een extra bedrag van 70 euro niet vatbaar voor beslag. Dit bedrag geldt ongeacht de bron van inkomsten van de beslagene.

Bron: Koninklijk besluit van 9 december 2019 tot uitvoering van artikel 1409 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek, Belgisch Staatsblad van 13 december 2019.

 

5. Nieuwe schalen bedrijfsvoorheffing

Maandelijks wordt bedrijfsvoorheffing ingehouden op het loon dat uitbetaald wordt aan de medewerkers. De ingehouden bedrijfsvoorheffing is een voorschot op de latere personenbelasting.

5.1 Toepasselijk voor statutaire en contractuele medewerkers

De regels inzake bedrijfsvoorheffing zijn dezelfde voor alle medewerkers, ongeacht hun statuut (statutair of contractueel). Inzake socialezekerheidsbijdragen is er wel een belangrijk verschil tussen statutaire en contractuele medewerkers.

Enkel vastbenoemde medewerkers met een laag loon krijgen een korting in de bedrijfsvoorheffing. De contractuele medewerkers met een laag loon genieten hiervoor de werkbonus, een tegemoetkoming in de persoonlijke socialezekerheidsbijdragen. De werkbonus kan niet toegekend worden aan statutaire personeelsleden.

5.2 De cijfers inzake bedrijfsvoorheffing

De nieuwe regels en schalen zijn van toepassing op de bezoldigingen, pensioenen en overige beroepsinkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2020.

De bedrijfsvoorheffing op beroepsinkomsten is een verplichte inhouding op de werkelijke bruto-inkomsten, verminderd met de RSZ-bijdragen (bruto-inkomsten − RSZ = belastbaar inkomen).

Het bestuur is als werkgever wettelijk verplicht op het belastbaar inkomen de bedrijfsvoorheffing in te houden en deze door te storten naar de schatkist.

Een medewerker kan eventueel wel vragen dat het bestuur een hoger bedrag inhoudt dan wettelijk voorzien is, en dit om te vermijden dat bij de jaarlijkse belastingafrekening te veel bijbetaald zou moeten worden.

A. Algemeen

Er zijn 3 schalen van bedrijfsvoorheffing. In deze bijdrage behandelen we enkel schalen 1 en 2.

- schaal 1 geldt voor alleenstaanden en gehuwde/wettelijk samenwonende tweeverdieners;

- schaal 2 geldt voor gehuwde/wettelijk samenwonende éénverdieners.

- schaal 3 is van toepassing op niet-inwoners die niet gedurende het volledige belastbare tijdperk een tehuis in België hebben gehouden.

Voor een maandinkomen dat valt tussen twee opeenvolgende bedragen in de schalen, is de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor het laagste van deze bedragen.

B. Belastingverminderingen

In het kader van de bedrijfsvoorheffing worden een aantal verminderingen in rekening gebracht. Deze houden verband met o.a. de familiale toestand van het personeelslid en de aard van zijn inkomen.

a. Vermindering voor kinderen ten laste

Een gehandicapt kind ten laste wordt voor twee kinderen ten laste gerekend.

b. Andere verminderingen ingevolge gezinssituatie

  • Een vermindering met 26 euro voor: alleenstaande (behalve wanneer zijn inkomsten uit pensioenen of werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag bestaan).
  • Een vermindering met 37 euro voor:

- een niet hertrouwde weduwnaar/weduwe of ongehuwde vader/moeder met minimum 1 kind ten laste;

- een mindervalide werknemer;

- een mindervalide echtgeno(o)t(e) ten laste (enkel voor schaal 2);

- personen ten laste (andere dan kinderen, echtgeno(o)t(e), wettelijk samenwonende partner).

  • Een vermindering met 81 euro voor ouders, grootouders, broers of zussen ten laste die de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben.
  • Een vermindering met 116,50 euro voor: echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner met beroepsinkomsten niet hoger dan 233 euro netto per maand (enkel voor schaal 1).
  • Een vermindering met 233 euro voor: echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner met beroepsinkomsten enkel bestaande uit pensioenen of renten, niet hoger dan 466 euro per maand (enkel voor schaal 1)

c. Vermindering voor natuurlijke personen met een laag inkomen uit de overheidssector

Er wordt een vermindering van de bedrijfsvoorheffing van 5,83 euro toegekend (na de uitvoering van de voorgaande verminderingen) op de belastbare bezoldiging van minstens 597,08 euro en maximum 2.191,18 euro voor personen met een laag inkomen die in dienst zijn van een lokaal bestuur, en die niet in het kader van een arbeidsovereenkomst zijn aangeworven.

d. Vermindering voor werknemers die recht hebben op de werkbonus

De fiscale werkbonus is een vermindering van bedrijfsvoorheffing voor werknemers met een laag inkomen die recht hebben op een vermindering van socialezekerheidsbijdragen (de zogenaamde sociale werkbonus). Deze fiscale werkbonus bedraagt 33,14%.

5.3 Bijzondere tarieven van bedrijfsvoorheffing

A. Uitzendkrachten

Voor lokale besturen die beroep doen op uitzendkrachten via een uitzendkantoor is het nuttig te weten dat voor uitzendkrachten de bedrijfsvoorheffing vastgesteld wordt op 11,11% van het belastbaar loon

De bedrijfsvoorheffing wordt forfaitair ingehouden, omdat uitzendkantoren moeilijk de inkomsten van een uitzendkracht kunnen inschatten.

B. Jonge werknemers

Werknemers die aan de voorwaarden voldoen om inschakelingsuitkeringen te krijgen van de RVA en die beginnen te werken tijdens de maanden oktober, november of december, moeten gedurende deze maanden geen bedrijfsvoorheffing betalen op de belastbare bezoldigingen.

De totale bruto bezoldiging mag evenwel niet hoger zijn dan 3.400 euro bruto per maand. De vrijstelling geldt zowel voor de gewone voorheffing als voor de exceptionele bedrijfsvoorheffing.

C. Studenten

Er is vanaf 1 januari geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de bezoldigingen betaald of toegekend aan de studenten:

• die tewerkgesteld zijn met een arbeidsovereenkomst voor studenten;

• gedurende 475 aangegeven uren studentenarbeid per kalenderjaar;

• en die overeenkomstig de wettelijk bepalingen niet onderworpen zijn aan de gewone socialezekerheidsbijdragen.

Bron: Koninklijk Besluit tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing, Belgisch Staatsblad van 20 december 2019.

 

6. Solidariteitsbijdrage bedrijfswagens 

Wanneer een bedrijfswagen ter beschikking gesteld wordt door de werkgever en de wagen niet enkel gebruikt wordt voor beroepsdoeleinden, ontstaat een voordeel in natura. Dit voordeel is niet onderworpen aan socialezekerheidsbijdragen, maar de werkgever dient wel een solidariteitsbijdrage te betalen.

Deze bijdrage is een maandelijks forfaitair bedrag, dat afhankelijk is van de CO2-uitstoot, het brandstoftype van de wagen en vastgesteld wordt volgens een welbepaalde formule. Het resultaat van de formule dient te worden aangepast aan een indexatiecoëfficiënt. De solidariteitsbijdrage op bedrijfswagens ten laste van de werkgever wordt aangepast op 1 januari van elk jaar.

De bedragen gelden zowel voor vastbenoemde als voor contractuele personeelsleden.

Vanaf 1 januari 2020 bedraagt de indexatiecoëfficiënt 1,3078.

Het nieuwe minimumbedrag voor de solidariteitsbijdrage is vastgesteld op 27,24 euro (basisbedrag 20,83 x 1,3078).

De bedragen in onderstaande tabel zijn van kracht vanaf 1 januari 2020:

Y is het CO2-uitstootgehalte in gram per kilometer, zoals vermeld in het gelijkvormigheidsattest of in het proces-verbaal van gelijkvormigheid van het voertuig, of in de gegevensbank van de dienst voor de inschrijving van de voertuigen.

Bron: Instructies Sociale Zekerheid 2019/3.